Bid eens een rozenkrans in de moskee…

Bid eens een rozenkrans in de moskee…

In Utrecht wordt binnenkort de grootste moskee van ons land opgeleverd. Een beeldbepalend gebouw in de wijk, je kunt het niet missen. Wat het moskeebestuur wel kan missen is een stukje van de moskee. Ze richten het in als gebedsruimte voor mensen uit andere geloofstradities en ze weten verdraaid goed waarom ze dit doen! Tegenover het geluid van heilige oorlogen willen zij een tolerant beleid voeren en een humane tegenstem laten horen. "Heb je naaste lief is voor ons geloof heel belangrijk", zegt de voorzitter, "nou, dan moet je dat ook doen. Wie hier komt is welkom, de moskee is er voor iedereen".

Overigens: aan de bouw werd financieel bijgedragen door de R.K. parochie in de wijk. Ook de mensen van deze kerk weten, dat je naastenliefde niet moet bewaren voor vrijblijvende salongesprekken, maar dat je die in de praktijk moet brengen. Er is een hartelijke relatie tussen de imam en de pastoor. Ze maken grappen over hun gebouwen. "Als jij nou straks de minaret inklimt en ik de toren, dan kunnen we boven naar elkaar zwaaien". Ze vertellen het lachend aan de verbaasde journalist. Die is gewend heel andere geluiden te horen en erover te schrijven.


Ik werd door dit recente krantenbericht aangenaam getroffen. Niet omdat dit nu een geheel originele gedachte is, want in Zuid Turkije, vlakbij de miljoenenstad Antalya ligt de plaats Belek. Daar is een opvallende tuin waar drie gebouwen staan: een synagoge, een kerk en een moskee.

Tal van samenkomsten en ontmoetingen tussen de "kinderen van Abraham" vinden plaats in deze zgn. "garden of tolerance". Uitleg is overbodig, aandacht ervoor broodnodig, zeker nu! Maar ook hier gaat men tevergeefs voor de originaliteitprijs. Die is, naar ik hevig vermoed, allang binnengehaald door vader Abraham zelf en door degenen, die hem geen strobreed in de weg legden toen hij op vreemde bodem en in een hem al even vreemde cultuur een altaar bouwde om er zijn God te aanbidden.

In het verhaal van Genesis 12 (1 – 9) antwoordt hij op de stem, die zich tot hem richt door middel van één van de allerbelangrijkste Bijbelse werkwoorden: GA. Zijn antwoord is glashelder: hij gáát. Abraham is geen vader der gelovigen op grond van wat hij zegt, maar wat hij doet!

En als je gaat, dan kom je ook ergens terecht. In het geval van Abraham is dat Kanaän. Een vreemd land, een andere cultuur en ook een andere geloofstraditie. En Abraham komt op een gegeven moment op een gedenkwaardige plek aan: vlakbij de stad Sichem is een Kanaänitische cultusplaats en één van de aanwezige bomen speelt daarbij een belangrijke rol. Geen wonder, als je geloofstraditie voornamelijk op de natuur en de erbij behorende elementen is gebaseerd.

Abraham heeft intussen een ontmoeting met zijn God beleefd, die niet in deze Kanaänitische traditie past, integendeel. Bij hem is het vooral woord en wederwoord, samenspraak en samenspel.

En Abraham, die heel veel nog niet weet,- hij is als gelovige tenslotte ook nog maar net begonnen- , een paar dingen weet ie intussen toch wel. Dat hij het in zijn leven vooral van die samenspraak en dat samenspel met God zal moeten hebben. Daarom roept hij de Naam van de HEER aan en dat zal hij nog heel vaak moeten doen, wil het samenspel ergens op gaan lijken. Dan is het handig een plek te maken, waar je kunt terugkomen. Zoals wij ook een plek, een kerk, een synagoge of een moskee hebben, waar we telkens naar terugkeren voor een ontmoeting met God, hoe je die vanuit je eigen traditie ook noemt.

Abraham ziet de boom van Sichem en eerlijk gezegd lijkt die plek hem wel wat. Om niet alleen het woord, maar ook de plek van dat woord van betekenis te laten zijn bouwt hij een altaar, vlakbij de boom. Hij hakt de boom niet om en zijn altaar wordt niet neergehaald. Beide symbolen van verbinding tussen hemel en aarde tonen hier aan, dat mensen die verschillend geloven, dat best naast en bij elkaar kunnen doen.

Zo ontstaat daar een heuse "garden of tolerance", een plek, waar verdraagzaamheid mensen voor en met elkaar bewaart. Dat heeft het moskeebestuur uit Utrecht heel goed aangevoeld en de pastoor voelt vrolijk mee. Over protestanten zegt het krantenbericht niks. Da's nou jammer, maar ach, ook die mogen er naar binnen. Hopelijk doen ze dat.

Ze volgen dan een oud en heilzaam spoor, achter vader Abraham aan en ook nu geldt dat Bijbelse werkwoord ten volle: GA!

Ko Brevet, emeritus predikant, Lochem

Lees verder

Allemaal gasten

Allemaal gasten
17 jul, 07:00

In de zomermaanden worden vakantiegangers in de Achterhoek bij het begin van de kerkdienst vaak apart welkom geheten. Meer dan anders wordt in de vakantie de noodzaak gevoeld om als gemeente gastvrij te zijn. Als wijzelf op vakantie zijn en ergens een kerk binnengaan, hopen we ook gastvrijheid te ontmoeten. Toch is gastvrijheid niet vanzelfsprekend. Onbedoeld en ongewild kunnen we ongastvrij zijn. Gastvrijheid is blijkbaar niet eenvoudig en vraagt om bewustwording en om oefening. Wat kan helpen is het besef dat we -goed beschouwd- in de kerk allemaal te gast zijn. Gasten die kind aan huis mogen worden bij de Gastheer. Wat betekent dat voor de manier waarop wij als gasten en vreemden met elkaar omgaan, binnen en buiten de kerk? Daar heeft de Bijbel het nodige over te zeggen.

De Bijbel noemt verschillende motieven voor gastvrijheid. Een eerste motief is dat een vreemdeling nooit vergeefs een beroep op Gods gastvrijheid doet. Dit klinkt door in de psalmen en ook in het boek Deuteronomium, waar sprake is van God, Die wees en weduw recht doet en de vreemdeling liefde bewijst, door hem brood en kleding te geven (Deut. 10: 18). De Heer die de vreemdeling behoedt, zoals de dichter van Psalm 146 zingt, heeft zich ten diepste laten kennen in Jezus Christus. Gastheer bij uitstek, was hij zelf aangewezen op de gastvrijheid van anderen. Een gast voor wie geen plaats is in de herberg en voor wie er niets anders opzit dan de wijk te nemen naar Egypte (Mt 2). Daarmee deelt Christus het vreemdeling zijn van mensen.

Een ander belangrijk motief voor gastvrijheid is dat Israël zelf vreemdeling is geweest in Egypte. Een vreemdeling zult gij niet onderdrukken, noch hem benauwen, want gij zijt zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte (Ex 22:21). Bij herhaling worden deze woorden het volk Israël voorgehouden. Weet dat je zelf vreemdeling bent geweest, en nog! Ook in het land Kanaän is Israël te gast. Want waar het gaat om eigendom van de grond, weet de Israëliet dat uiteindelijk niet hij, maar God de eigenaar is: Het land zal niet voor altijd verkocht worden, want het land is van Mij, en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij (Lev 25:23). Ook de gemeente van Christus bestaat uit bijwoners, de letterlijke vertaling van: parochianen. Wanneer Petrus schrijft aan gemeenteleden die in de verstrooiing leven, noemt hij hen: bijwoners en vreemdelingen. Maar dat vreemdeling zijn is gelukkig niet blijvend. Door toedoen van de Heer mogen vreemdelingen erbij horen en zelfs kind aan huis worden: Zo bent u dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God (Efeziërs 2: 19, 20).

Een ander motief voor het verlenen van gastvrijheid heeft te maken met het vermoeden dat een gast van goddelijke herkomst kan zijn. In verschillende oude culturen zijn verhalen bekend, waar de vreemdeling opduikt als een mogelijke boodschapper van de goden. Uit vrees voor die goden neemt men de vreemde dan als gast op. In de Odyssee van Homerus komt de aansporing voor om behoorlijk met de vreemdeling en de bedelaar om te gaan, een aansporing die voortkomt uit de gedachte dat zij door de god Zeus gezonden zijn. De verwoesting van Sodom en Gomorra (Genesis 19) kan gezien worden als gevolg van de slechte behandeling die de hemelse gasten ten deel is gevallen. Een parallel van dit verhaal is te vinden in de parabel van Philemon en Baucis, van Ovidius.

De brief aan de Hebreeën onderstreept het grote belang van zorg voor de gast die een bijzondere herkomst kan hebben: Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen, zonder het te weten, engelen geherbergd (Hebr. 13:2). Ook Mattheus onderstreept dit, wanneer Jezus duidelijk maakt dat alle zorg aan anderen betoond, ook aan Hem betoond is: Ik ben vreemdeling geweest, en gij hebt Mij gehuisvest (Mt 25: 35). Daarmee maakt de evangelist duidelijk dat gastvrijheid niet een evangelisch extraatje is dat ook ongestraft achterwege kan blijven, maar een scharnierpunt in het leven van de gemeente van Christus. Daar draait veel, zo niet alles om.

Terug naar de aparte verwelkoming van gasten in een zomerse kerkdienst. Het lijkt me een wezenlijk punt van aandacht. Aandacht voor de gast die wij net zo goed zijn. Aandacht voor de vreemdeling in ons midden, die zich net als wij kind aan Huis mag voelen. Aandacht voor de ander die is als wij. En dan niet alleen in de zomer, maar door heel het jaar heen.

Frederiek Th. Lunshof-Klein
predikant in de PG Varsseveld

| Wachtwoord vergeten? | Registreren
Footer balk
© Copyright 2015 Achterhoek Nieuws